| KORTE
BERICHTEN
Sneeuwkanonnen
Natuurbeschermingsorganisaties
en het Zwitserse Verband van Kabelbaanondernemingen (SVS) proberen met
elkaar de inzet van sneeuwkanonnen te bespreken, maar het overleg verloopt
moeizaam. De natuurbeschermingsorganisaties hebben bezwaar tegen de toename
van het aantal kanonnen (van 26 naar 130 stuks in 5 jaar tijd). Ze vinden
dat er te weinig bekend is over de schadelijke gevolgen van de kunstsneeuw,
en verzetten zich tegen het gebruik van biologische en chemische toevoegingen.
Ook wijzen ze op het hoge energieverbruik van de kanonnen. De SVS meent
dat het wintertoerisme zonder de kunstsneeuw ten dode is opgeschreven.
Het aantal dagen dat een skilift jaarlijks gemiddeld in bedrijf is, is
sinds 1973 namelijk afgenomen met 10 dagen. Dit heeft grote economische
verliezen tot gevolg. De concurrentie met landen die sneeuwzekerheid te
bieden hebben, is enorm.Aanvankelijk werden de sneeuwkanonnen ingezet op
plaatsen waar te weinig sneeuw gevaar opleverde voor de skiërs; nu
worden hele pistes met kunstsneeuw bedekt. In de installaties is inmiddels
naar schatting 330 miljoen frank geïnvesteerd.
Bron: Tages Anzeiger
14-11-98
Het
Rosenhorn-Project
De Rosenhorn (3698
meter), gelegen achter de Wetterhorn bij Grindelwald, was tot nu toe alleen
toegankelijk voor bergbeklimmers en toerskiërs. De gletschers zijn
er sneeuwzeker. Het gebied heeft de status van beschermd gebied van nationale
betekenis. Men heeft plannen ontwikkeld om dit gebied te ontsluiten door
de aanleg van een Alpenmetro. Hansruedi Muller, een Berner professor in
toerisme, zet vraagtekens bij dit project. Muller voorziet een algehele
stagnatie in de alpiene wintersport, en vraagt zich af of deze alpenmetro
te zijner tijd niet met exploitatietekorten te maken zal krijgen. Een bergbaan
rendeert alleen, als er voldoende gebruik van wordt gemaakt.De enorme investeringen
moeten worden terugverdiend door middel van hoge toegangsprijzen of een
dienstregeling met hoge frequentie. De haalbaarheid hiervan moet goed van
tevoren worden onderzocht.
De bergbaansector is
alleen maar gericht op verdere groei. In tegenstelling tot andere sectoren
van de economie, waar bedrijven de poort sluiten als het niet goed gaat,
worden bergbanen vrijwel nooit ontmanteld. Dit heeft alles met emotie te
maken: het is moeilijk te accepteren dat een berg die eens ontsloten werd
door een baan, niet meer toegankelijk is. Daarom worden banen die niet
renderen, toch in stand gehouden. Het vereist moed om bergbanen te sluiten,
maar Muller vindt dat het ook moed vereist om een project dat op het eerste
gezicht haalbaar lijkt, niet te realiseren.
[De terugtrekkende gletsjer in het Loetschental.] [Foto]
Zijn
we te ver gegaan?
De bekende klimmer
Reinhold Messner vindt dat de bergen op velerlei manieren te toegankelijk
zijn geworden. Hij verzet zich tegen de hoeveelheid geprepareerde en gemarkeerde
paden, tegen de toenemende rol van de techniek (op het gebied van uitrusting,
communicatie en reddingsmogelijkheden), tegen klimroutes met voorgeboorde
haken, schuilhutten enzovoort. Het wordt de bergbeklimmers te gemakkelijk
gemaakt - met een enorme toename van het aantal toeristen tot gevolg. Hij
vraagt zich af wat er over is van het gevaar en de inspanning waarmee men
aanvankelijk de hoogte in ging. De huidige "outdoorconsument" is volgens
hem uit op mooie belevenissen, maar echt risico wil deze niet lopen. Messner
pleit niet voor een numerus clausus om de toestroom te reguleren; wat hij
wil is een andere mentaliteit ten opzichte van de bergen. De mens wil naar
zijn smaak de natuur teveel beheersen en bezitten. Eigenlijk zou de mens
net zo ver in de bergen moeten kunnen doordringen als zijn angst, uithoudingsvermogen
en behendigheid het toelaten. De mens hoort in de bergen eigenlijk niet
thuis! Hoe minder ontsloten de bergwildernis is, hoe waardevoller. Messner
vraagt zich af wat er tegen de verkoop van de alpenhutten is, nu deze onophoudelijk
te maken hebben met exploitatieverliezen. Hij wijst op de merkwaardige
dubbelfunctie van de Alpenverenigingen: ze verdedigen en ontsluiten de
bergwereld. Misschien moeten ze zich wat meer op hun eerste taak richten.
De verkoop van hutten zou voor dat doel heel veel geld in het laatje brengen.
Het aantal hutten zou niet mogen worden uitgebreid. In reactie hierop erkent
Josef Klenner dat de rol van de Alpenverenigingen aan steeds meer kritiek
onderhevig is. Het wordt steeds voller in de hutten, steeds drukker op
de wandelroutes. Wat de gemarkeerde en geprepareerde paden betreft: het
klopt dat ze de toegankelijkheid van de bergen vergroten, maar het voordeel
ervan is dat 80 % van de wandelaars/klimmers de paden benut, dus niet een
eigen weg zoekt (met alle mogelijke vernieling/verstoring vandien). Zo
wordt de stroom mensen op een gereguleerde manier de bergen ingeleid. Een
goed wegennet blijkt veel beter te werken dan verbodsbepalingen. Wat de
hutten betreft: die hebben van oudsher als doel het verschaffen van onderdak
aan klimmers Ten wandelaars. Men heeft destijds bij de bouw niet gelet
op of de plek uiteindelijk economisch/commercieel gunstig gelegen zou zijn.
Dat wreekt zich nu, omdat de hutten niet rendabel kunnen worden geëxploiteerd.
Daar komen de enorme investeringen bij, die nu en in de toekomst gedaan
worden om de hutten op (een milieuvriendelijke manier te runnen. Economisch
succes voor de hutten is voorlopig dus niet te verwachten. Verkoop van
de hutten berooft de Alpenverenigingen echter van een belangrijk invloedsmiddel.
De controle- en sturingsfunctie die de verenigingen uitoefenen, zou hiermee
wegvallen. Bovendien is het beleid van de verenigingen al twintig jaar
gericht op het handhaven van de nu bestaande wegen en hutten, en bij de
sanering van de hutten tracht men uitbreiding van capaciteit en comfort
te beperken.
Bron: DAV-Mitteilungen
2/98
Steun
van NKBV en NMGA aan bergherstelprojecten
De laatste decennia
hebben er grote veranderingen plaats gevonden in de Alpen zoals het sterk
toegenomen toerisme, de afgenomen berglandbouw, de ontsluiting van de bergen
en de sterk toegenomen luchtvervuiling in sommige dalen. Al deze processen
hebben natuur en landschap aangetast. Hierbij gaat het bijv. om sterk toegenomen
erosie door wandelaars en om verzwakking van de bossen door een combinatie
van minder intensief onderhoud en 'zure regen'.
Het
onderhoud aan de bossen en paden gebeurde vroeger veelal door bosarbeiders
en bergboeren als onderdeel van hun werk. Tegenwoordig is dit niet meer
zo intensief mogelijk. De arbeidskosten van de bosarbeiders zijn onvergelijkbaar
hoger dan vroeger en veel bergboeren zijn verdwenen. Dit betekent dat deze
herstelwerkzaamheden in veel gebieden niet meer gebeuren, tenzij ze door
vrijwilligers worden verzet in projecten. Voorbeelden van deze bergherstelprojecten
zijn het Bergwaldprojekt en de Umweltbaustellen van de Oostenrijkse Alpenvereniging
(OeAV).
De stichting Bergwaldprojekt
is eind jaren tachtig opgericht in Zwitserland en inmiddels actief in Zwitserland,
Oostenrijk en Duitsland. Het Bergwaldprojekt voert projecten uit die erop
gericht zijn de beschermende functies van de bergbossen te behouden voor
de lange termijn. Het werk wordt verricht door vrijwilligers uit alle landen
van de wereld. Belangrijk nevendoel van het Bergwaldprojekt is dat de deelnemers
ervaringen opdoen met het bos en zich bewust worden van de belangrijke
rol die bossen vervullen in ons milieu.
De Umweltbaustellen
(milieuherstelprojecten) van de OeAV zijn zeer verschillend van aard. In
1999 worden projecten uitgevoerd die zich richten op het helpen van bergboeren,
het herstellen van paden in druk bezochte klimgebieden, het herstel van
padenstelsels en erosieschade in alpien terreinen, en herbebossing.
De NKBV ondersteunt
de activiteiten van het Bergwaldprojekt en de Umweltbaustellen, omdat hiermee
daadwerkelijk iets aan het milieu wordt gedaan. Schade wordt hersteld die
mede door Nederlandse bergklimmers en andere toeristen is ontstaan. Om
dit te stimuleren leveren de NKBV
en de Nederlandse Milieugroep Alpen een
financiële bijdrage aan respectievelijk de deelnemers en de projecten.
Ga naar de volgende pagina met korte berichten.
|